Brieven aan Marek Šindelka

Helena Maes, Silke Van Rompaey en Sarah Van Vliet wisselden brieven uit met Tsjechische auteur Marek Šindelka.
Waarover ze schreven, kozen ze helemaal zelf. Ze kregen hierbij literaire feedback van multidisciplinair verhalenverteller Dalilla Hermans.
Madla Hüblová, vertaalster van onder andere het werk van Cees Nooteboom, vertaalde de brieven naar het Tsjechisch. De antwoorden van Šindelka werden dan weer naar het Nederlands vertaald door haar man, Edgar De Bruin; de vaste vertaler van het werk van Šindelka en sinds eind jaren tachtig actief als vertaler van Tsjechische literatuur in het Nederlands. Samen runnen Edgar en Madla literair agentschap Pluh.

Wil je meer horen over het project? Sluit aan bij het panelgesprek op 25/09/2026 in Kunstencentrum Buda.

Eerste brief van Helena aan Marek

Dag Marek

Hoe gaat het met je? Fijn om naar je te kunnen schrijven.

De meest gebruikte woorden op de vraag hoe het gaat is automatisch ‘ça va’.
De laatste tijd corrigeer ik me wanneer dit eruit floept. Want ik zie mezelf weer opgekruld in mijn bed liggen. Mijn grote knuffelleeuw hield ik geklemd tussen mijn armen. Muziek stond op met de poging mezelf te kalmeren. Mijn hoofd was verder aan het denken dan wat gezond voor me was.
Als kind was het leren over de wereld geruststellend. In de klas vertelde begeleider Jos over de eerste wereldoorlog. Met het krijtje tussen zijn vingers spreidde hij zijn armen zo wijd dat het soms uit zijn handen vloog. Toen ik negen was wilde ik alles te weten komen over Napoleon, omdat hij overleed op het eiland Sint-Helena. Met het gezin gingen we naar Waterloo. Twee treden tegelijk klom ik op de heuvel, op naar de leeuw met de wereldbol. Ik luisterde graag naar die verhalen, al zijn ze verschrikkelijk. Ze waren te verdragen omdat ik wist dat het goed eindigde. Er is geen oorlog meer. Alles is veilig.
Tot 22 maart 2016. Ik was elf jaar en zat met papa in de auto, we waren onderweg naar school terwijl de radio opstond. De muziek werd verstoord door de begingeneriek van het nieuws. Er was een aanslag gebeurd in de luchthaven van Zaventem. Iedereen weet waar ze waren wanneer ze hoorden over de val van de Twin Towers. Ik ben geboren in 2004, deze aanslagen waren voor mij 9/11. De verzekerde veiligheid op het einde van de geschiedenisverhalen was ineens niet meer van tel.
Vroeger at ik met mijn papa in de zetel met het nieuws van 13u. Bij ieder saai onderwerp greep hij naar de afstandsbediening. Een aantal jaren later keken mama en ik alleen naar de opening van het journaal. Nog voor het eerste hoogtepunt in de diepte werd uitgelegd, verzetten we de zender. Nu studeer ik aan de universiteit en zit niet meer ’s avonds met mijn ouders in de zetel. De actualiteit is het laatste waar ik aan denk.
Mijn nieuws komt van de artikels tussen reclame en foto’s op sociale media. Ik trap in de val van clickbait en wordt geconfronteerd met betaalmuren. De oppervlakkige, misleidende krantenkoppen passen helemaal niet bij het principe ‘grondig informeren’.
Toch was mijn online bubbel niet sterk genoeg op de nacht met mijn knuffelleeuw. De manen waren kletsnat omdat ik ze tegen mijn gezicht duwde. Ondanks mijn pogingen tot onwetendheid zag ik te veel passeren over ICE. Verhalen uit de tweede wereldoorlog flitsten door mijn hoofd. ‘Het gebeurde maar in de Verenigde Staten’ probeerde ik mezelf te sussen. Volgens mijn vriend duurt het 5 jaar tegen bewegingen in Amerika ook in Europa opduiken.

Om mijn mentaal welzijn te behoeden hou ik steeds meer de handen voor mijn ogen. Maar wat als ik de kans mis om mijn stem te laten horen wanneer het nodig is?
Deze brief schrijf ik terwijl mijn knuffel bij mij ligt, jouw antwoord lees ik graag met mijn wollen vriend om mijn schoot.

En welgemeend: hoe gaat het met je?

Warme groeten
Helena

Eerste brief van Silke aan Marek

Dag Marek,
In deze brief stel ik graag mezelf aan je voor en probeer ik mijn blik op de wereld te verhelderen en met jou te delen. Dat is niet zo eenvoudig voor mij, maar ik geef je graag een inkijk in mijn verschillende hersenspinsels.
Ik ben Silke (22 jaar). Ik ben een goedlachse jongvolwassene die een hekel heeft aan nieuwsberichten, in elke vorm. Ik ontwijk ze ook heel graag.
Ik weet niet op welke leeftijd jij voor het eerst geconfronteerd werd met heftige nieuwsfeiten?
Voor mij was dat op mijn tien/elf jaar op school.
Ik herinner het me nog als de dag van gisteren omdat het zo’n grote impact op mij heeft gehad.
Het waren allemaal video’s en interviews over 9/11.
Ik heb die nacht niet kunnen slapen, Marek.
Ik zag enkel het beeld van mensen die uit gebouwen sprongen, chaos op straat.
Ik hoorde enkel nog de laatste telefoongesprekken die mensen vanuit het vliegtuig probeerde te voeren met hun dierbaren.
Het voelde allemaal alsof het leven me verraden had.
Hoe zou jij je voelen als je al je kinderjaren (tot dan toe, hele leven) hebt geloofd in Sinterklaas (Nederlandse en Belgische traditie), de Paashaas, de Tandenfee, het ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ uit sprookjes en dat dat plots allemaal bruusk van tafel wordt geveegd om je de echte wereld te serveren op je bord?
Ik was er niet klaar voor, Marek.
Volgens mij ben ik dat nog steeds niet.

Ik probeer mijn eigen leven in goede banen te leiden. Ik moet zorgen dat ik financieel gezond en stabiel ben.
Verder wordt er ook van mij, als mens zijnde, verwacht dat ik tijd investeer in mijn fysiek en mentaal welzijn. Voel je de druk al?
Dat is een heel moeilijke opgave wanneer je nog niet de tijd hebt gehad om een inkomensreserve op te bouwen.
Telkens wanneer ik dan, per ongeluk, in contact kom met bepaalde nieuwsberichten maak ik mij plots ook heel veel zorgen om anderen.
Al heb ik, grofgezegd, niet de luxe om iets met die zorgen te doen.
Word jij soms ook moedeloos door de hoeveelheid aan goede doelen die je wilt steunen en die je belangrijk vindt?
Dan daalt bij mij het besef in dat ik zelf regelmatig de denkoefening moet maken of het verstandig is om in de ene week al naar de apotheker te gaan kwestie dat ik mijn benzine nog moet kunnen betalen om op mijn werk te geraken.
Ik wil geen medelijden, Marek. Dat heb ik ook echt niet nodig.
Ik leef in een bevoorrechte omgeving (Europa) en heb de liefste mensen in mijn omgeving die mij in deze situatie helpen en ondersteunen.
Ik ben dus ontzettend dankbaar en gelukkig dat ik tijd heb om mijn leven weer in orde te krijgen.
Maak ik mij vaak zorgen over mijn situatie? Uiteraard, op dagelijkse basis.
Lukt het mij om de zorgen van anderen dan tijdelijk van mij af te zetten? Absoluut niet.
Daarom ontwijk ik het nieuws. Ik wil graag alle problemen in de wereld even vlug zelf oplossen.
Het feit dat ik dat niet kan geeft mij een groot gevoel van onmacht.

Ik denk dat de grootste problemen in de samenleving berusten op het feit dat iedereen altijd de meeste focus op zijn eigen leefsituatie zal leggen.
We doen dat niet expres, we doen het per ongeluk en automatisch.
Ik doe het zelf ook.
Stel jij zelf soms ook in vraag of je zelfmedelijden terecht is of niet?
Bedenk jij soms ook dat die ochtend waarin je zeep in je ogen krijgt, koffie op jezelf morst, een pijnlijke pukkel aan de binnenkant van je neusvleugel vaststelt, je een lekke band hebt, je opeens beseft dat je in alle chaos je afval bent vergeten buiten te zetten, je opeens een berichtje krijgt dat je collega thuis blijft omdat die zich niet lekker voelt, je eigenlijk een heel gelukkig leven hebt?
We voelen wat we zelf voelen. We bedenken onze eigen gedachten.
We kunnen ons wel empathisch opstellen en ons in de schoenen van een ander zetten, maar dat vraagt meer energie en meer inlevingsvermogen. Dat is helaas gewoon niet voor iedereen, in dezelfde mate vanzelfsprekend.

Marek, ik ben je alvast dankbaar omdat je de moeite wilt doen te proberen een antwoord te formuleren op deze brief. Om je op weg te helpen heb ik twee vragen bedacht waarop ik graag een antwoord zou willen krijgen:
Hoe ervaar jij de stroom aan nieuwsberichten?
Als je één wereldprobleem nu onmiddellijk kon oplossen, wat zou het zijn?

Bedankt voor het lezen.
Warme groeten,
Silke

Eerste brief van Sarah aan Marek

Beste Marek,

Je treft me op een verkeerd of misschien juist een gepast moment: mijn vader is 3 weken geleden overleden. Ik zoek hem op allerlei plekken. In spulletjes, rituelen, gebaren en systemen. In woorden.

Toen mijn vader net was overleden, wist ik niet of ik je boek zou kunnen lezen, laat staan je terugschrijven. Maar zodra ik las over Ada en haar vader, dacht ik: ja.

Dus laat me het over onze romans hebben.

Jouw roman Systemen van tederheid troost mij, omdat er zoveel leven is te vinden in het universum van Ada Fischerová en haar vader Bohumil Fischer: in het gevaarlijke pianospel van mevrouw Slámová, om maar wat te noemen, in de spektakels van Johann Nepomuk Mälzel, in het jagen achter de eerste noten van een fuga aan.

Je roman troost me omdat ook ik, net als jouw hoofdpersoon Ada, naar mijn vader zoek.

Mijn vader, Lucky, is degene aan wie Aigou is opgedragen, en daarmee legitimeer ik meteen zijn aanwezigheid in deze brief, die eigenlijk alleen over onze romans zou moeten gaan. Mijn schrijven aan jou kan nu niet anders dan een vorm van rouwen zijn.

De hoofdpersoon in mijn roman Aigou is een robothond die leeft, ademt, voelt en schrijft, maar die zich niet kenbaar kan maken. De Aigou zoekt geborgenheid bij een nieuw baasje, Saar, dat geen hondenmens is, dat zich omgekocht voelt door dit cadeau van haar tekortschietende vader, en dat geen boodschap heeft aan een robothond. Omdat ze er niet in gelooft: ze gelooft niet dat een robot in staat is om, als ware hij een echt huisdier, een wederzijdse connectie aan te gaan.

Ik geloof daar zelf ook niet in.

Bewijzen is onmogelijk, maar ik geloof niet dat, buiten het domein van de fictie, een kunstmatige intelligentie leeft, laat staan bewust leeft. Lange tijd heb ik gedacht dat de complexiteit van taal ook de sleutel bood tot de heilige graal van het bewustzijn (misschien zelfs het kunstmatig bewustzijn). Dat denk ik niet langer.

De AI-systemen zoals die van MTurk waarvoor Ada op enig moment werkt, ontwikkelen een zekere creativiteit en gevoeligheid, en leveren indrukwekkende resultaten, maar die komen voort uit gedrag zonder subject: er is geen er, geen Dasein. Hoewel sommige van dit soort systemen Large Language Models heten, beschouw ik hun berekende uitkomst niet als taal, laat staan als bewustzijn. Eerder nog geloof ik in het bewustzijn van rivieren, mierenhopen en stenen, dan in het bewustzijn van een door mensen gemaakte machine.

Toch geloof ik in het bewustzijn van mijn arme, fictieve robothond. Mijn robothond en zijn (onze) condition humaine. Waarom creëer ik een robot met bewustzijn als ik niet geloof in robots met bewustzijn? Die vraag laat zich alleen achteraf beantwoorden: misschien om te tonen hoe groot het gemis moet zijn wanneer je, als robot, geen vader, moeder of andere ouder hebt, iemand die zegt (of zou kunnen zeggen): jij bent mijn kind. Zoals mijn vader dat deed, altijd, en zonder enige reserve.

Bohumil Fischer, Ada’s vader, mocht ik direct. Vanwege de tedere naamgeving aan zijn dochter: hij gaf haar een symmetrische naam die je kunt weergeven in notenschrift. Een vader die zijn dochter een naam geeft die hij kan zingen of fluiten, die hij als een geheim liedje tussen hen kan laten klinken, zo’n ouder houdt van zijn kind.

Toen mijn vader nog een baby was, en begon te brabbelen, draaide hij de lettergrepen van het kietelen om: ‘kielekielekiele’ werd ‘le-kie-le-kie-le-kie’ oftewel ‘Lucky’. ‘Kijk, hij spreekt al Engels’, zei zijn vader, en vanaf toen heette hij Lucky.

Lucky was een vader met gevoel voor taal en muziek. Terwijl mijn moeder zwanger was, deed mijn vader zijn best op mijn naam. Het moest Sarah worden, dat sowieso, en Maria moest erbij, maar er was nog een open plek voor de derde naam. Die moest passen in een patroon van klinkers, medeklinkers en klemtonen. Mijn vader trommelde en herhaalde het ritme, táda, tadáda tadám, Sarah Maria tadám, tot hem de juiste derde naam inviel.

Een grote frustratie van mijn Aigou is dat hij van zijn nieuwe baasje alsmaar geen naam krijgt. Vaag herinnert hij zich een eerder leven met een roepnaam die door de fabriek gewist is: die naam die ik bijna voor me zie, als een lichtbron die nagloeit. Hij verlangt naar zo’n persoonlijke naam. Zelfs een framenummer is persoonlijker dan een soortnaam, klaagt hij.

Dan is er de naam Saar, voor een fictief personage, maar wel met een naam die op de mijne lijkt. Terwijl ik schreef, groeide het personage steeds verder van me af, maar haar naam bleef kleven. Het label roman bevrijdt me van de realiteit, maar voor mijn vader maakte ik, heel onliterair, een uitzondering.

‘Het zou kunnen dat lezers denken dat Saar Sarah is, en dat jij dus die afwezige vader bent,’ vertelde ik mijn vader enkele maanden voor zijn overlijden. ‘Alleen jij hebt inspraak, papa. Zeg je: vervang die naam? Of zeg je: Nee, het is fictie, niets mee te maken!’

‘Niets mee te maken!’ antwoordde mijn vader. Een van zijn vele goede daden.

Ik zoek mijn vader in zijn woorden, waar jouw Ada haar vader zoekt in zijn stilte. Ze versterkt de 8½ seconden stilte die te horen zijn op de langspeelplaat waarop Bohumil pianospeelt, en waarop hij, tussen twee late sonates van Skrjabin in, misschien even ademt, of op zijn tand zuigt.

In die stilte probeert Ada iets van haar vader te vinden en vast te houden. Is fictie niet een poging tot vasthouden wat altijd beweegt, verandert en verdwijnt? (Als het bewaren van een stilstaand horloge dat ooit van vader is geweest.)

Voor mij is je roman een avontuur en tegelijkertijd een plek om in terug te keren: als in de stoel van een grootmoeder, als in het binnenste van een kerkorgel, als in de veiligheid van een vaderhand.

Hartelijke groet,
Sarah

Antwoord van Marek aan Helena, Silke en Sarah

Beste Sarah, Silke en Helena,

Toen ik gevraagd werd voor dit correspondentieproject voelde ik me aanvankelijk echt opgelaten. Ik schrok van het idee om jullie allen in één brief te antwoorden. Het zou ongepast zijn, vreesde ik. Maar toen besefte ik dat het eigenlijk een interessante kans bood voor een soort open correspondentiegesprek. En dat idee vind ik leuk, het is literair boeiend. Allereerst wil ik jullie heel erg bedanken voor de lastige taak die jullie op je hebben genomen om dit gesprek te beginnen. De persoonlijke toon van jullie brieven heeft me geraakt. Ik moet zeggen dat elke brief op zijn manier iets wezenlijks in mij heeft beroerd.
Net als Helena heb ik, oog in oog met de wereld, met de irrationaliteit ervan, met zijn psychopathische leiders die onzinnige deportaties op touw zetten, ontspoorde oorlogen voeren, vaak de behoefte om me op te rollen. Een eigenaardig fenomeen: als we ons beroerd voelen, als we echt troost nodig hebben, rollen we ons op. Het is ons laatste toevluchtsoord. Alsof het lichaam in zichzelf probeert te schuilen. Ik ben ronduit gefascineerd door die houding. De houding van het menselijke lichaam, van een dierenlichaam – en zelfs van planten! Ook bloemen kruipen na zonsondergang in elkaar. In slaap wikkelt de plant zich net zo ineen als de mens of een dier. Elk levend wezen dat het vermogen heeft om waar te nemen, dat toebedeeld is met gevoel, heeft van tijd tot tijd de behoefte om die houding aan te nemen. Er zit zoveel bijzondere tederheid in! Het is misschien wel onze sterkste herinnering, de herinnering van het lichaam, een paradoxale herinnering aan momenten ver voor enig geheugen, aan het leven voor het leven, toen ons lichaam nog in het lichaam van de moeder sliep, opgerold en volledig beschut.
Net als Silke worstel ik vaak met de machteloosheid – de wereld lijkt elke dag op ons neer te storten! Dat gebeurt elke ochtend op duizenden manieren zodra we het nieuws aanzetten. En vaak zie ik me als boven een afgrond voor de vraag gesteld: hoe kan ik er zelf iets aan doen, waar te beginnen? Hoe verantwoordelijkheid te nemen? Deze vragen drukten echt zwaar op me toen ik vader werd. Alsof ik voor het eerst plotseling verantwoordelijkheid voor de wereld moest nemen. Ook ik moet de wereld aan iemand doorgeven! Ik had veel tijd nodig om aan mezelf toe te geven dat het niet in mijn vermogen lag, en ook niet tot mijn mogelijkheden behoorde, om alles op te lossen. Dat ik genoegen moest nemen met het feit dat mijn invloed gering, zo niet verwaarloosbaar was. Maar ook dat geringe beetje kan wellicht iets betekenen. Bovendien, mensen die denken dat ze voor alle problemen van de wereld een oplossing hebben, belanden vaak in het gekkenhuis – of worden president van de Verenigde Staten van Amerika. Het komt op hetzelfde neer en uiteindelijk lossen die mensen toch niets op.
In de brief van Silke werd ik getroffen door een terloopse opmerking – namelijk de verwijzing naar Sinterklaas! We hebben dezelfde traditie. Maar in tegenstelling tot Silke associeer ik het niet met de geborgenheid van de kindertijd, maar juist met een gevoel van dreiging. Met het moment waarop de kille, vijandige wereld plotsklaps ons leven binnendringt. Bij ons wordt Sint Nicolaas namelijk vergezeld door de duivel! (Ook door een engel – maar die kan ik me helemaal niet herinneren.) Ik herinner me die duivel, de bode van de hel die de kinderen die in het afgelopen jaar stout zijn geweest in een grote zak meeneemt. Daarmee maakten ouders ten minste hun ongehoorzame kinderen soms bang. Sint Nicolaas kwam slechts één keer bij ons persoonlijk langs! Ik was een jaar of zes. Mijn broertje van vier plaste van angst in zijn broek, ik heb daarna nog een paar maanden gestotterd. En dan te bedenken dat Sint Nicolaas – gespeeld door onze lieve oom – enkel maar in de deuropening verscheen, van de duivel hebben we een glimp opgevangen ergens in het schemerdonker van de gang, ze kwamen niets eens binnen. Mijn broertje en ik kropen toen van angst in de linnenkast. We rolden ons daar op! We konden niet eens gillen, we hijgden alleen maar, klaar om een gevecht met de duivel aan te gaan als hij ons uit de linnenkast zou willen halen om in die zak van hem te stoppen. Hoe moesten we weten welke rekening voor ons in de hel werd opgemaakt? Uiteraard waren we in het afgelopen jaar soms stout geweest. En we wisten nu wel zeker dat we werden weggehaald bij mama, meegenomen de ijzige nacht in en vandaar linea recta naar de verzengende hel. Sindsdien is Sint Nicolaas nooit meer bij ons langs geweest. Met behulp van logopedie kwam ik na een tijdje van mijn gestotter af. Onze oom voelt zich nu nog schuldig over dat Sint-bezoek.
Volgens mij zijn toen mijn ogen geopend. Voor het eerst begreep ik ten volle dat buiten de wereld is. Een wereld waarin van alles kan gebeuren, die verbluffend machtiger is dan ik, die me op elk moment kan komen halen. Als ik nu aan die angstige avond van lang geleden terugdenk, zie ik daar natuurlijk raakpunten met het verhaal van ons gezin, met onze situatie. En ook met de brief van Sarah, die me diep ontroerde. Bedankt dat je in zo’n moeilijke situatie in je leven de kracht hebt gevonden om een brief te schrijven (en zelfs mijn roman Systemen van tederheid te lezen die helemaal gaat over een zoektocht naar een vader, over mensen die zijn vertrokken en trouwens ook over je oprollen – ik waardeer dat enorm).
Ook ik ben mijn vader kwijtgeraakt. In tegenstelling tot Sarah zit ik in feite mijn hele leven lang zonder hem. Hij overleed toen ik twee jaar oud was (mijn broertje was nog maar twee maanden oud). En ik denk dat die doodsangst, toen we tegen elkaar waren gekropen en wachtten tot de duivel ons meenam, juist met onze vader samenhangt. Met het feit dat hij uit ons leven was verdwenen. Alsof wij door iemand met geweld van hem waren weggerukt. En nu kwam diegene om ons ook van mama los te scheuren. Het was niet duivel, noch de hel, het was simpelweg de eenzaamheid. Een fatale eenzaamheid die, wat ik ook doe, voor altijd in mijn nek zal hijgen.
Het lijkt me belangrijk dat je, Sarah, tijd had om afscheid te nemen van Lucky. Ik voel me een beetje als jouw robothond Aigou die zich zijn vroegere naam niet kan herinneren. Net zo kan ik me mijn vader niet herinneren. Ik was nog te klein om die herinnering in me op te slaan. Alsof die ook ergens in de fabriek werd gewist. Toch voel ik dat daar wel ergens ten minste een afdruk moet zijn. Daar ergens zit die, zelfs na al die eindeloze jaren, verborgen in neuronen: ‘als een lichtbron die nagloeit’, zoals je het zo mooi in je brief zegt.
En het is haast ongelooflijk hoeveel gelijkenissen je tussen onze romans kunt vinden. Ook ik schreef Systemen van tederheid als een overpeinzing over hoeveel gevoel er soms in mechanismes, machines en systemen kan opduiken. Ik geloof evenmin dat AI echt zou kunnen denken of iets voelen, dat ze levend zou zijn. Ik vind het alleen ergens ongelooflijk aandoenlijk dat we AI met alle geweld op die manier willen zien. Alsof wij – wij, de gehele mensheid – ons alleen voelen. Alsof we met onze cultuur, taal, denken, met onze complexe wereld, vereenzaamd zijn in de natuur. Misschien verlangen we naar iemand die net zo eenzaam is. Naar iemand die gevangen zit in een systeem. Naar iemand die onnatuurlijk is.
En per slot van rekening; als een machine zou gaan leven, is dat dan echt zo’n angstaanjagend beeld? Misschien stellen we ons onnodig apocalyptisch er alleen de ergste variant van voor: verderf, destructie, iets uiterst vijandigs. Stel dat zo’n machine juist wijs zou zijn? Wijzer dan wij? Stel dat die niet wil vernietigen, veroveren, de wereld naar eigen inzichten veranderen? Misschien beseft de machine van meet af aan dat dit niet de juiste weg is. Als ze levend is, zal ze nadenken over haar omgeving, over het metaal en silicium in haar lijf dat immers ook onderdeel zal zijn van de natuur, ook erbij horen. Misschien trekt de machine daaruit wijzere conclusies dan wij. Misschien kan ze zich verwonderen over de wereld op een manier waartoe wij niet meer in staat zijn. Als een kind. Als een hond die voor het eerst sneeuw ziet. En misschien zal het juist de robothond zijn waarover Sarah in haar roman schrijft. En als die leeft, echt leeft, zal hij zich vast soms, als hij verdrietig is, als hij bang is voor de wereld, oprollen, in slaap vallen en zijn digitale dromen hebben van hoe het was toen hij nog maar een brok ijzererts was ergens in de tijdloosheid, diep verborgen in een ongerept rotsmassief.

Met vriendelijke groeten,
Marek Šindelka

Tweede brief van Helena aan Marek

Dag Marek

Bedankt voor je brief! Wanneer het toekwam, had ik mijn knuffelleeuw niet bij de hand. Ik zat op de schommel met mijn vriend en twaalf jaar jongere zus. Terwijl onze voeten bengelden boven het gras, volgden we je verhaal.
Ik vond het mooi om te horen dat ook jij je durft op te krullen wanneer de wereld even te veel wordt. Volgens mij hebben velen al zo’n ervaring gehad, maar wordt dit niet meteen met elkaar gedeeld. Nochtans komt het vaker, op een andere manier, aan bod dan dat ik zelf vermoedde. Ik vond het mooi dat je erop wees dat het ook in de natuur aanwezig is. Er is zoveel dat zich plooit naar geborgenheid. Dit mag meer ter sprake gebracht worden. Het kan een sterkte zijn om te tonen dat je fragiel bent. Dat maakt ons juist iets meer mens.
Één van de dingen die me dieper hebben geraakt tijdens het voorlezen, was je uitspraak dat je als vader ook een verantwoordelijkheid(sgevoel) hebt om de wereld aan iemand door te geven. Twaalf jaar lang was ik de jongste in huis, tot mijn jongere zus er onverwachts bijkwam. Ergens herken ik dat gevoel dat je beschreef. Intussen is ze negen en in al die tijd stelt ze véél vragen. Dat begon gemakkelijk. Ik antwoordde met: ‘die rechte witte streep in de blauwe lucht is inderdaad van een vliegtuig’ en ‘dat fladderend ding bij de boom is een vlinder.’ Ik voelde me telkens trots als ik nog meer kon laten weten dan wat mijn eigen schoolboeken hadden meegegeven. ‘Die zwarte vlinder, met witte stippen en oranje strepen, dat is een Atalanta, mijn lievelingsdier.’
Intussen is ze ouder en denkt ze veel verder dan over de dingen die vlak voor haar neus staan. Uitleggen hoe de zwaartekracht werkt, lukte nog juist, maar wanneer ze zich afvroeg hoe het kwam dat sommige mensen arm waren en andere juist heel rijk, moest ik toch even nadenken hoe ik dat op een te begrijpen manier kon meegeven. Ik probeerde haar altijd iets mee te geven, maar tegelijk leerde ik ons om toe te geven dat ik het gewoonweg niet wist. In het begin wilde ik haar heldin zijn. Intussen wil ik haar grote zus zijn die alleen maar kan meegeven wat ze zelf te weten is gekomen.
Er schuilt een fragiliteit in dat antwoorden op haar vragen. Ik probeer haar de wereld op een zo objectief mogelijke manier weer te geven, maar tegelijk wil ik haar beschermen. Zoals ik in mijn eerste brief vermeldde, klonk alles geruststellend, tot dit niet meer het geval was. Nu ben ik zelf schuldig op dat vlak. Ik probeer de werkelijkheid mee te geven, maar toch geef ik op het einde een draai aan het verhaal, of een gelukkig einde, zodat ze kan slapen die nacht.
Ik vrees dat ook zij een realisatiemoment zal hebben dat niet alles z’n goed einde heeft gekregen zoals in een sprookje. Wanneer ze dat ervaart, zou ik graag haar grote knuffelleeuw willen zijn. Als ze dat wilt, zou ik een lied neuriën om haar te helpen. Volgens mijn heeft iedereen wel eens nood aan een grote knuffelleeuw.

Warme groeten
Helena

Tweede brief van Silke aan Marek

Dag Marek,

Allereerst wil ik mijn excuses aanbieden.
Ik wist niet dat Sinterklaas zo’n nare herinneringen bij iemand naar boven kon brengen.
Ik heb uiteraard onmiddellijk na het lezen van je brief afbeeldingen opgezocht op het internet en ik moet zeggen dat ik zelf, op deze leeftijd, even geshockeerd werd.
Hoe gek dat zo’n tradities op elkaar kunnen lijken en toch ook zo hard kunnen verschillen.
Ach ja, dat valt wel over elk aspect van onze menselijke samenleving te zeggen natuurlijk.
Eigenlijk is alles aan ons toch een beetje een parodie.
Ons lijf is een gemixte kopie van onze voorouders.
Daar is weinig authentieks aan.
Al onze gedragingen en bedenkingen zijn vaak ook niet origineel, maar zijn ons ergens in ons leven voorgeschoteld geweest.
We hebben iets of iemand het ooit zien doen of weten denken en daardoor passen wij het nu ook zo toe. Copy paste.
Zelfs als je de geschiedenis van verschillende plaatsen vergelijkt krijg je toch soms het gevoel “Dit heb ik volgens mij al eens eerder gehoord.”.
De geschiedenis herhaalt zich. Copy paste.
Hier en daar zijn er evoluties.
Maar zelfs binnenin dat evolueren zijn er tal van processen die men ondergaat omdat men al eerder heeft gezien dat het bij een evolutie belangrijk is om rekening te houden met…… Copy paste.
De leukste eigenschap aan het zijn van een biologisch kopieermachine is het kiezen van wat ik kopieer.
Ik kan zelf de leuke en interessante stukken overnemen en al de rest in de prullenbak gooien. Gewoon even filteren wat er voor mij handig is om mee te werken.
En daar zitten dan waarschijnlijk net onze verschillen.
Wat neem ik mee en wat laat ik aan mezelf voorbijgaan? Wat vind ik belangrijk en wat niet?

Weet je wat ik zo fijn vind aan dit project, Marek?
Ik ben gewoon opnieuw brieven aan het schrijven!
Geen telefoongesprek, sms-verkeer, of mails met twee niet mee verzonden bijlagen.
Nee, gewoon brieven.
Het is heel jammer dat dat communicatiemiddel hoe langer, hoe minder voorkomt.
Het schrijven van een brief biedt je de mogelijkheid om langer stil te staan bij dat wat je wilt vertellen.
Je neemt er meer de tijd voor.
Je hebt waarschijnlijk al drie keer een zin aangepast voordat je denkt ‘Ja en zo bedoel ik het.”.
De beschrijvingen zijn meer uitgebreid omdat je wilt dat de boodschap ook overkomt hoe je hem op dat moment had willen uiten.
In sms’en zijn mensen heel kort want als je een meer uitgebreide uitleg nodig hebt dan mag je bellen, hoor.
Of in het geval het over een puber gaat: niet bellen en geen vragen stellen.
Gewoon blij zijn dat ze al iets laten weten.
Ik bewaar ook alle persoonlijke brieven die ik ooit heb mogen ontvangen. Kaartjes trouwens ook.
Ik vind het altijd fijn als mensen de moeite hebben gedaan om een boodschap voor mij achter te laten. Eentje die ik echt kan aanraken.
Hoe mooi is het moment waarop je een briefje of een kaartje opnieuw bovenhaalt van een eerder overleden persoon en je de mooie boodschap opnieuw tot je kan laten binnendringen.
Het handschrift als bewijs dat het echt door die persoon geschreven werd en dat die persoon echt in jouw leven is geweest. Ik kan daar echt diep door ontroerd zijn.
Ook de uitvoerige reflecties die mensen achterlaten in een dagboek zijn bijzonder waardevol.
Als kind had ik zo’n dagboek, maar de reflecties van een zevenjarig kind zijn vaak kort in tekst en ook kortzichtig “Vandaag had ik een slechte toets op school, maar ik mocht daarna wel in het zwembad spelen. Joepie!”
Ik kan hieruit afleiden dat ik een goede jeugd heb gehad, maar dat ik ook niet wist welke zaken van belang waren om op te schrijven.
Ik denk dat mensen vaak het gevoel hebben dat ze “toch maar een eenvoudig leven leiden” en dat het daarom geen zin heeft om een dagboek bij te houden.
Eigenlijk gaat het helemaal niet over je leven.
Het gaat over hoe jij dat leven ervaart.
Dat is interessant voor jezelf en anderen om later in de toekomst je persoonlijkheid en ontwikkeling als persoon te kunnen analyseren.
Het hoeft ook echt niet uitsluitend te bestaan uit belangrijke gebeurtenissen zoals in het dagboek van Anne Frank.
De belangrijkste vragen die je jezelf zou moeten stellen zijn: “Wat is er vandaag gebeurd?”, “Hoe voelde ik mij daarbij?” en “Waarom voelde ik mij zo?”.
Het zijn toch die inzichten die we als kleinkinderen ook graag hadden meegekregen van onze grootouders?
Bij deze, Marek heb je ook een aantal brieven/reflecties van ons mogen ontvangen en ondanks dat ze, helaas niet, met de hand geschreven zijn hoop ik dat je ze alsnog zult bijhouden.
Als iemand je ooit zou vragen: “En wie was dat dan? Die Silke?”, dan hoop ik dat je antwoord: “Geen idee, maar ze kwam wel boeiend over.”

Tweede brief van Sarah aan Marek

Beste Marek,

Wat verdrietig dat je vader zo jong uit je leven is verdwenen, wat een gemis dat jij en je broer jullie vader nooit goed hebben kunnen leren kennen. Net als jij denk ik dat er een afdruk van je vaders aanwezigheid in je moet zijn achtergebleven, misschien in de vorm van een geluid of beeld dat plotseling terugkeert, of als een verborgen lichtbron die niet te isoleren is, maar die sowieso onderdeel uitmaakt van wie je bent. Juist die eerste maanden, jaren van een kind, zijn zo vormend, dat het hebben van een vader, hoe kortstondig ook, eeuwen af staat van het niet hebben van een vader. Maar je blijft natuurlijk een leven lang zoeken.

Het zoeken naar ouders speelt in onze beide romans een belangrijke rol, en dat voelt, misschien meer nog dan de (machinale) systemen die we opvoeren, als een verwantschap. Na de verschijning van mijn debuut heb ik in een aantal gesprekken verteld dat ik eerder een familieroman dan een science fiction roman heb willen schrijven. Ja, het gaat over een robothondje, maar het is geen robotroman. Mijn Aigou wil de wereld niet vernietigen; hij wil alleen een vader of moeder vinden, of desnoods gewoon een knuffel van een toegewijd baasje.

Ik ben geen politiek schrijver, maar de dystopie dient zich niettemin aan. Er is genoeg aan de hand in de wereld om je te willen oprollen, luisterend naar droommuziek, net zo lang tot de wereld weer veilig genoeg is om je te kunnen ontvouwen en tot bloei te komen.

Ook in de brieven van Silke en Helena tref ik de onontkoombaarheid van het wereldnieuws: terroristische aanslagen, psychopathische leiders, gevoelens van onmacht. Steeds vaker lees ik slecht nieuws over AI: we weten van de enorme hoeveelheden water en energie die het kost, de horizon-en geluidsvervuiling die de datacenters veroorzaken, en dat voor een product waar niemand om gevraagd heeft, en dat onze cognitieve vermogens en onze maatschappelijke posities aantast.

Als klap op de vuurpijl tref ik het bericht dat antiquarische boeken door AI-bedrijf Anthropic met honderdduizenden tegelijk opgekocht, ontbonden, gescand en dan vernietigd worden, in een proces dat ‘destructive scanning’ heet, en dat vervult me met grote weerzin.

Ik ben niet bang voor de intenties van de robots, die misschien inderdaad welwillender zijn dan we denken. Ik ben graag optimistisch en vind het een mooie gedachte dat we ons de levende machine niet per se als een apocalyptische maar als een wijze machine zouden kunnen voorstellen. Zoals je schrijft, als een machine die, als ze écht leeft, ook beseft dat destructie van natuur en cultuur niet de bedoeling kan zijn, dat zij met het metaal en silicium in haar lijf ook deel uitmaakt van de natuur. Een machine die in staat is tot verwondering.

Waar ik wel bang voor ben, zijn de intenties van de nieuwe barbaren, de techbro’s uit Silicon Valley. Maar ik wil geen politiek pamflet schrijven. Liever wil ik schrijven over de verwondering en wijsheid van de levende machines die wij zijn. Liever wil ik iets zeggen over tederheid. Want is er iets mooiers dan dat? Tederheid is liefde zonder agressie, manipulatie en macht. We hebben meer tederheid nodig.

Ik herinner mij de tederheid waarmee mijn vader Lucky in zijn ziekenhuisbed met twee handen mijn hand pakte. Ik denk aan de tederheid van Bohumil Fischers handen die Les Trois Mains van Jean-Philippe Rameau spelen voor zijn dochter Ada Fischerová. De tederheid waar mijn Aigou naar verlangt.

Misschien ligt in deze tijd de verbeelding van het kwaad meer voor de hand dan de verbeelding van de tederheid en de schoonheid, de dystopie meer dan de utopie. Toch moeten we als schrijvers onze lezers niet (alleen) waarschuwen, maar (ook) troost bieden.

Die troost is te vinden in de taal. Die vond ik in de details, vergelijkingen en metaforen in je roman. In de zinnen bijvoorbeeld die het muggenpootachtige element in Ada’s platenspeler beschrijven, de platenspeler die de bezielde stilte van haar musicerende vader tevoorschijn moet halen, “de betoverde wereld van het platenspeler-element, als een kasteel uitgesneden in een kersenpitje”. De betoverde wereld van de roman.

Ik heb natuurlijk een andere roman gelezen dan de roman die jij geschreven hebt. Dat is in zeker zin altijd zo, maar in dit geval zeker, omdat ik geen Tsjechisch lees en dus de Nederlandse vertaling van Edgar de Bruin heb gelezen (die uitstekend is).

Eén van de verschillen tussen het Nederlands en het Tsjechisch is dat het Nederlands niet zo’n uitgebreid systeem voor verbuigingen van zelfstandig naamwoorden kent. Ook is het Nederlandse woord ‘tederheid’ (něha), met behulp van het achtervoegsel ‘-heid’, afgeleid van het adjectief ‘teder’, en dus niet een simplex woord zoals zijn Tsjechische equivalent dat is. Ik vraag me af of ‘něha’ daarmee een ander, elementairder, concept vertegenwoordigt dan ‘tederheid’. Of dat zo’n suffix, als een extra schroefje in de constructie, volstaat om in het Nederlands tot exact hetzelfde woord, met exact dezelfde betekenis te komen.

Hoe is het voor jou om in je eigen vertaalde romans te bladeren? Je krijgt straks een boek in handen dat je geschreven hebt, in een taal die je misschien zelf niet kunt lezen. Als we elkaar ontmoeten, dan zou ik je een passage kunnen voorlezen uit ‘Systemen van tederheid’. Over vader en kind. Dan kun je horen hoe mooi dat ook in het Nederlands klinkt.

Hartelijke groet,
Sarah

Antwoord van Marek aan Helena, Silke en Sarah

Beste Helena, beste Sarah, beste Silke,

Heel erg bedankt voor jullie brieven! Ik heb ze met veel enthousiasme gelezen. Als ik ons correspondentiegesprek (net als Silke ben ik er opgetogen over dat ik weer eens aan iemand brieven schrijf!) een centraal thema zou willen vinden, dan denk ik dat het doorgeven zou zijn. Ik was geraakt door Helena’s beschrijving van hoe ze haar jongere zusje zo verantwoord mogelijk de wereld wil tonen, terwijl ze er tegelijkertijd naar streeft om de werkelijkheid die ze aan haar doorgeeft, een veilige plek te laten zijn. Misschien is dat wel de zwaarste opdracht in ons leven. Aan onze kinderen, broertjes en zusjes, maar eigenlijk in het algemeen aan de mensen die na ons komen, de wereld door te geven als een min of meer veilige plek, als een plek van hoop. Uiteraard is dat een illusie die je gaandeweg noodzakelijkerwijs in twijfel gaat trekken. Maar wat is geen illusie? We hebben allemaal een basaal beeld van de werkelijkheid, een basisstelsel van verwachtingen, veronderstellingen, waarmee we het leven in gaan. Een soort basisfilter waardoor de werkelijkheid wordt gezeefd.

De Poolse schrijver Witold Gombrowicz, die ik enorm bewonder, heeft eens geschreven dat de ‘wereld honderdmiljoenmaal rijker is dan gezond is.’ Vaak moet ik aan deze zin denken. Ieder van ons ziet vast slechts een bepaald, klein fragment van de wereld. Dat wat we sinds onze kinderjaren hebben geleerd te zien. Dat iemand aan ons heeft doorgegeven. Dat we hebben geërfd, net als onze lichaamsbouw – zoals Silke zo treffend opmerkt. Ons lichaam hebben we als een genetische cocktail van onze ouders gekregen, of we dat nou leuk vinden of niet, en net zo goed bepaalde gedragspatronen, waarvan we helemaal geen weet hoeven te hebben en toch vaak onze hele levensweg voorprogrammeren. Het heeft me altijd gefascineerd hoe veel we met ons meetorsen, hoeveel onopgeloste problemen van generatie op generatie worden overgedragen.

Mijn moeder heeft lange tijd bij ngo’s gewerkt die kwetsbare en mishandelde kinderen helpen. En de mechanismen die deze kinderen van hun ouders hebben overgenomen, zijn meedogenloos. De kinderen van gewelddadige ouders worden als ze volwassen zijn heel vaak zelf gewelddadig. Kinderen van alcoholverslaafden lopen een vele malen grotere kans om met een verslaving te zullen kampen. Verlaten kinderen zullen waarschijnlijk voor altijd met onzekerheid worstelen. Ik ken het van mezelf. Ook mijn vader ‘was vertrokken’. Ook al is dat totaal niet te vergelijken met de levensverhalen van de kinderen met wie mijn moeder in contact kwam. Maar het is wel zo dat ik door de voortijdige dood van mijn vader het leven met een soort wantrouwen, met een gevoel van onheil tegemoet ben getreden. Het heeft lang geduurd voor ik leerde met die gevoelens om te gaan. Zodat ik die, als het even kan, niet weer verder aan mijn kinderen zou doorgeven.

Ik vind het mooi wat Sarah schrijft: dat je troost kunt vinden in de taal. Dat slaat voor mij de spijker op zijn kop. Want taal is tevens een instrument van verbeelding. We kunnen door middel van de taal dingen benoemen die niet bestaan. Op die manier zat ik duizend-en-een verhalen te verzinnen over wie mijn vader eigenlijk was. En misschien ben ik daarom wel schrijver geworden. Misschien begon ik wel te lijden aan een te grote verbeelding, aan heel dat obsessieve vertellen van verhalen. Misschien is al mijn geschrijf enkel een soort geheime brief aan mijn vader. Een gecodeerde brief, geadresseerd aan dode mensen.

Ik heb het idee dat iedereen die schrijft tegelijk buiten de tijd om schrijft. Ik heb ooit ergens een interessant idee gelezen dat onsterfelijke mensen geen enkele reden zouden hebben om verhalen aan elkaar te vertellen. Ze zouden gewoon niets in woorden hoeven te behouden. Zouden niets verder hoeven door te geven. Misschien is de dood wel de meest scheppende kracht die er bestaat. Dat zou ik wel leuk vinden. Ik heb altijd op een of andere manier geloofd dat de dood in werkelijkheid helemaal niet erg is, dat die juist slechts een fundamenteel, natuurlijk mechanisme van doorgeven is. Een estafette van het doorgeven van het leven en de wereld aan de volgende mensen, jongere generaties.

Overigens is dat volgens mij de grootste angst van de huidige politieke leiders en techbaronnen uit Silicon Valley, aan wie Sarah refereert. Ze wijzen gewoon hun eindigheid af. Ze geloven dat de technologie hun leven oneindig zal verlengen, dat ze zich met hand en tand in leven zullen houden, koste wat kost. Ze weigeren gewoon de wereld door te geven. Die te laten ademen. Ze zijn gewend geld te vergaren en zouden graag op dezelfde manier tijd willen vergaren. Maar kun je je een ergere horror voorstellen dan een driehonderd jaar oude techno-zombie genaamd Poetin?

Zulke mensen delen met elkaar, behalve een volstrekt verminkte blik op de werkelijkheid – dat geloof ik althans – een fataal gebrek aan tederheid. In het Tsjechisch is het woord ‘něha’ inderdaad een simplex, bijna alsof het een universele macht zou zijn. Maar nu ik erover nadenk, vind ik het Nederlandse woord ‘tederheid’ eigenlijk veel leuker, omdat het bijna als een bijvoeglijk naamwoord klinkt. En nog preciezer zou het zijn om over tederheid te praten als over een werkwoord – tederheid is namelijk geen abstracte kracht die door de lucht zweeft. Tederheid manifesteert zich, is actief. En het gaat altijd om een band. Voor mijn gevoel gaat het om een band die volkomen onbaatzuchtig is, niet berekenend, volkomen puur. Vaak is het bovendien een uiting van gevoel van een sterker iemand tegen een zwakker of weerloos iemand, een ouder tegen zijn kind, een mens tegen een dier. Een klein kind dat geen tederheid leert kennen is voor het leven getekend.

Misschien hebben al die rare mensen aan het hoofd van wereldmachten en technologische corporatie ooit in hun leven iets wezenlijks gemist, misschien wel gewoon een liefdevolle acceptatie. En dat wanhopige tekort proberen ze nu als razenden op volstrekt waanzinnige manieren op te vullen. Door het voeren van oorlogen, het ontwikkelen van algoritmes, die als een automaat voor vieze mierzoete koffie de mensheid met kunstmatige instant-emoties overspoelen. Misschien misten ze in hun leven een dierbaar persoon. Iemand die voor hen zou hebben gedaan wat Helena voor haar jongere zusje doet. Iemand die met tederheid de wereld als een plek van hoop aan hen had doorgegeven – om vervolgens altijd een glimp van die hoop in de wereld op te vangen, als een fladderende Atalanta ergens in de buurt.

Met hartelijke groeten

Marek Šindelka

Over de deelnemers

Marek Šindelka

Marek Šindelka (°1984) is schrijver van poëzie, romans, toneel en scenarios. Hij werd genomineerd voor, en won, meerdere awards. Hij ontving de Jiří Orten Prize voor zijn debuutdichtbundel Strychnin. Hij ontving als enige auteur tweemaal de Magnesia Litera Prize voor proza, voor zijn boeken Zůstaňte s námi (Blijf bij ons) en Únava materiálu (Materiaalmoeheid). Zijn werk werd in meer dan 15 talen vertaald.
Šindelka excelleert in zijn nauwkeurig taalgebruik en heeft een oog voor het leven vandaag, voor wat mensen beroert, en zeker voor de onderlinge relaties tussen mensen. Deze beschrijft hij op een opvallende, onthullende manier. Hij gaat in zijn werk geen actuele thema's uit de weg. Of het nu gaat om het klimaat, klimaatverandering of de vluchtelingencris, hij corporeert deze thema's naadloos in zijn werk, zonder opdringerig of activistisch te worden. Hij laat het verdict aan de lezer.

Helena Maes

Helena Maes (°2004) is het resultaat van een thuisgeboorte. Ze studeert kunstwetenschappen in Gent. Tijdens haar treinritten schrijft ze in haar schrift Schrijfsels in het wilde (w)onder weg .
Ze stond meerdere keren op Ecopolis. In 2025 schreef ze de minipublicatie Dag Jasper onder begeleiding van Lara Taveirne.

Silke Van Rompaey

Silke Van Rompaey (°2004) schrijft vanalles en nog wat. Van teksten tot verhalen, met altijd een snuifje humor erbij. Haar spirit animal is Pippi Langkous en haar grootste schrijfidool Mark Tijsmans. Moest ze ooit, per ongeluk, premier van België worden dan... zou ze alle irritante vasthangende dopjes op flesjes verbieden. Ze danst vrolijk door het leven als ze haar teen niet ergens tegen heeft gestoten. Ze danst dan wel, maar eerder boos en vol onmacht. In 2022 werd ze, door een schrijfwedstrijd, gepubliceerd in de verhalenbundel Uitbreken van Phoenix Books. Ze eet met haar bestek omgewisseld in haar handen, maar is niet linkshandig. Al heeft ze wel twee linkerhanden, maar dat doet er niet toe. Silke kaart zowel nuttige als zeer onnuttige onderwerpen aan, maar telkens in het belang van het welzijn van de mensheid. Met andere woorden: ontspannen, informeren en lachen vormen een essentiële basis.

Sarah Van Vliet

Sarah Van Vliet is schrijver en taalkundige. Haar debuutroman AIGOU is in juni 2026 verschenen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Eerder zijn haar verhalen en essays gepubliceerd in Kluger Hans, Armada, De Optimist, Tirade en papieren helden. Het verhaal Prefrontaal, waarmee ze in 2024 de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd won, is gepubliceerd in NRC en papieren helden.

Na haar studie Engelse taal- en letterkunde promoveerde Sarah in de Taalwetenschap. Daarna heeft ze achtereenvolgens en wisselend als docent, onderzoeker, copywriter, vertaler, redacteur en schrijver gewerkt.