Brieven aan Marek Šindelka

Helena Maes, Silke Van Rompaey en Sarah Van Vliet wisselden brieven uit met Tsjechische auteur Marek Šindelka.
Waarover ze schreven, kozen ze helemaal zelf. Ze kregen hierbij literaire feedback van multidisciplinair verhalenverteller Dalilla Hermans.
Madla Hüblová, vertaalster van onder andere het werk van Cees Nooteboom, vertaalde de brieven naar het Tsjechisch. De antwoorden van Šindelka werden dan weer naar het Nederlands vertaald door haar man, Edgar De Bruin; de vaste vertaler van het werk van Šindelka en sinds eind jaren tachtig actief als vertaler van Tsjechische literatuur in het Nederlands. Samen runnen Edgar en Madla literair agentschap Pluh.

Wil je meer horen over het project? Sluit aan bij het panelgesprek op 25/09/2026 in Kunstencentrum Buda.

Eerste brief van Helena aan Marek

Dag Marek

Hoe gaat het met je? Fijn om naar je te kunnen schrijven.

De meest gebruikte woorden op de vraag hoe het gaat is automatisch ‘ça va’.
De laatste tijd corrigeer ik me wanneer dit eruit floept. Want ik zie mezelf weer opgekruld in mijn bed liggen. Mijn grote knuffelleeuw hield ik geklemd tussen mijn armen. Muziek stond op met de poging mezelf te kalmeren. Mijn hoofd was verder aan het denken dan wat gezond voor me was.
Als kind was het leren over de wereld geruststellend. In de klas vertelde begeleider Jos over de eerste wereldoorlog. Met het krijtje tussen zijn vingers spreidde hij zijn armen zo wijd dat het soms uit zijn handen vloog. Toen ik negen was wilde ik alles te weten komen over Napoleon, omdat hij overleed op het eiland Sint-Helena. Met het gezin gingen we naar Waterloo. Twee treden tegelijk klom ik op de heuvel, op naar de leeuw met de wereldbol. Ik luisterde graag naar die verhalen, al zijn ze verschrikkelijk. Ze waren te verdragen omdat ik wist dat het goed eindigde. Er is geen oorlog meer. Alles is veilig.
Tot 22 maart 2016. Ik was elf jaar en zat met papa in de auto, we waren onderweg naar school terwijl de radio opstond. De muziek werd verstoord door de begingeneriek van het nieuws. Er was een aanslag gebeurd in de luchthaven van Zaventem. Iedereen weet waar ze waren wanneer ze hoorden over de val van de Twin Towers. Ik ben geboren in 2004, deze aanslagen waren voor mij 9/11. De verzekerde veiligheid op het einde van de geschiedenisverhalen was ineens niet meer van tel.
Vroeger at ik met mijn papa in de zetel met het nieuws van 13u. Bij ieder saai onderwerp greep hij naar de afstandsbediening. Een aantal jaren later keken mama en ik alleen naar de opening van het journaal. Nog voor het eerste hoogtepunt in de diepte werd uitgelegd, verzetten we de zender. Nu studeer ik aan de universiteit en zit niet meer ’s avonds met mijn ouders in de zetel. De actualiteit is het laatste waar ik aan denk.
Mijn nieuws komt van de artikels tussen reclame en foto’s op sociale media. Ik trap in de val van clickbait en wordt geconfronteerd met betaalmuren. De oppervlakkige, misleidende krantenkoppen passen helemaal niet bij het principe ‘grondig informeren’.
Toch was mijn online bubbel niet sterk genoeg op de nacht met mijn knuffelleeuw. De manen waren kletsnat omdat ik ze tegen mijn gezicht duwde. Ondanks mijn pogingen tot onwetendheid zag ik te veel passeren over ICE. Verhalen uit de tweede wereldoorlog flitsten door mijn hoofd. ‘Het gebeurde maar in de Verenigde Staten’ probeerde ik mezelf te sussen. Volgens mijn vriend duurt het 5 jaar tegen bewegingen in Amerika ook in Europa opduiken.

Om mijn mentaal welzijn te behoeden hou ik steeds meer de handen voor mijn ogen. Maar wat als ik de kans mis om mijn stem te laten horen wanneer het nodig is?
Deze brief schrijf ik terwijl mijn knuffel bij mij ligt, jouw antwoord lees ik graag met mijn wollen vriend om mijn schoot.

En welgemeend: hoe gaat het met je?

Warme groeten
Helena

Eerste brief van Silke aan Marek

Dag Marek,
In deze brief stel ik graag mezelf aan je voor en probeer ik mijn blik op de wereld te verhelderen en met jou te delen. Dat is niet zo eenvoudig voor mij, maar ik geef je graag een inkijk in mijn verschillende hersenspinsels.
Ik ben Silke (22 jaar). Ik ben een goedlachse jongvolwassene die een hekel heeft aan nieuwsberichten, in elke vorm. Ik ontwijk ze ook heel graag.
Ik weet niet op welke leeftijd jij voor het eerst geconfronteerd werd met heftige nieuwsfeiten?
Voor mij was dat op mijn tien/elf jaar op school.
Ik herinner het me nog als de dag van gisteren omdat het zo’n grote impact op mij heeft gehad.
Het waren allemaal video’s en interviews over 9/11.
Ik heb die nacht niet kunnen slapen, Marek.
Ik zag enkel het beeld van mensen die uit gebouwen sprongen, chaos op straat.
Ik hoorde enkel nog de laatste telefoongesprekken die mensen vanuit het vliegtuig probeerde te voeren met hun dierbaren.
Het voelde allemaal alsof het leven me verraden had.
Hoe zou jij je voelen als je al je kinderjaren (tot dan toe, hele leven) hebt geloofd in Sinterklaas (Nederlandse en Belgische traditie), de Paashaas, de Tandenfee, het ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ uit sprookjes en dat dat plots allemaal bruusk van tafel wordt geveegd om je de echte wereld te serveren op je bord?
Ik was er niet klaar voor, Marek.
Volgens mij ben ik dat nog steeds niet.

Ik probeer mijn eigen leven in goede banen te leiden. Ik moet zorgen dat ik financieel gezond en stabiel ben.
Verder wordt er ook van mij, als mens zijnde, verwacht dat ik tijd investeer in mijn fysiek en mentaal welzijn. Voel je de druk al?
Dat is een heel moeilijke opgave wanneer je nog niet de tijd hebt gehad om een inkomensreserve op te bouwen.
Telkens wanneer ik dan, per ongeluk, in contact kom met bepaalde nieuwsberichten maak ik mij plots ook heel veel zorgen om anderen.
Al heb ik, grofgezegd, niet de luxe om iets met die zorgen te doen.
Word jij soms ook moedeloos door de hoeveelheid aan goede doelen die je wilt steunen en die je belangrijk vindt?
Dan daalt bij mij het besef in dat ik zelf regelmatig de denkoefening moet maken of het verstandig is om in de ene week al naar de apotheker te gaan kwestie dat ik mijn benzine nog moet kunnen betalen om op mijn werk te geraken.
Ik wil geen medelijden, Marek. Dat heb ik ook echt niet nodig.
Ik leef in een bevoorrechte omgeving (Europa) en heb de liefste mensen in mijn omgeving die mij in deze situatie helpen en ondersteunen.
Ik ben dus ontzettend dankbaar en gelukkig dat ik tijd heb om mijn leven weer in orde te krijgen.
Maak ik mij vaak zorgen over mijn situatie? Uiteraard, op dagelijkse basis.
Lukt het mij om de zorgen van anderen dan tijdelijk van mij af te zetten? Absoluut niet.
Daarom ontwijk ik het nieuws. Ik wil graag alle problemen in de wereld even vlug zelf oplossen.
Het feit dat ik dat niet kan geeft mij een groot gevoel van onmacht.

Ik denk dat de grootste problemen in de samenleving berusten op het feit dat iedereen altijd de meeste focus op zijn eigen leefsituatie zal leggen.
We doen dat niet expres, we doen het per ongeluk en automatisch.
Ik doe het zelf ook.
Stel jij zelf soms ook in vraag of je zelfmedelijden terecht is of niet?
Bedenk jij soms ook dat die ochtend waarin je zeep in je ogen krijgt, koffie op jezelf morst, een pijnlijke pukkel aan de binnenkant van je neusvleugel vaststelt, je een lekke band hebt, je opeens beseft dat je in alle chaos je afval bent vergeten buiten te zetten, je opeens een berichtje krijgt dat je collega thuis blijft omdat die zich niet lekker voelt, je eigenlijk een heel gelukkig leven hebt?
We voelen wat we zelf voelen. We bedenken onze eigen gedachten.
We kunnen ons wel empathisch opstellen en ons in de schoenen van een ander zetten, maar dat vraagt meer energie en meer inlevingsvermogen. Dat is helaas gewoon niet voor iedereen, in dezelfde mate vanzelfsprekend.

Marek, ik ben je alvast dankbaar omdat je de moeite wilt doen te proberen een antwoord te formuleren op deze brief. Om je op weg te helpen heb ik twee vragen bedacht waarop ik graag een antwoord zou willen krijgen:
Hoe ervaar jij de stroom aan nieuwsberichten?
Als je één wereldprobleem nu onmiddellijk kon oplossen, wat zou het zijn?

Bedankt voor het lezen.
Warme groeten,
Silke

Eerste brief van Sarah aan Marek

ILFU 2026
Van: Sarah van Vliet
Aan: Marek Šindelka

Amsterdam, 1 juli 2026

Beste Marek,

Je treft me op een verkeerd of misschien juist een gepast moment: mijn vader is 3 weken geleden overleden. Ik zoek hem op allerlei plekken. In spulletjes, rituelen, gebaren en systemen. In woorden.

Toen mijn vader net was overleden, wist ik niet of ik je boek zou kunnen lezen, laat staan je terugschrijven. Maar zodra ik las over Ada en haar vader, dacht ik: ja.

Dus laat me het over onze romans hebben.

Jouw roman Systemen van tederheid troost mij, omdat er zoveel leven is te vinden in het universum van Ada Fischerová en haar vader Bohumil Fischer: in het gevaarlijke pianospel van mevrouw Slámová, om maar wat te noemen, in de spektakels van Johann Nepomuk Mälzel, in het jagen achter de eerste noten van een fuga aan.

Je roman troost me omdat ook ik, net als jouw hoofdpersoon Ada, naar mijn vader zoek.

Mijn vader, Lucky, is degene aan wie Aigou is opgedragen, en daarmee legitimeer ik meteen zijn aanwezigheid in deze brief, die eigenlijk alleen over onze romans zou moeten gaan. Mijn schrijven aan jou kan nu niet anders dan een vorm van rouwen zijn.

De hoofdpersoon in mijn roman Aigou is een robothond die leeft, ademt, voelt en schrijft, maar die zich niet kenbaar kan maken. De Aigou zoekt geborgenheid bij een nieuw baasje, Saar, dat geen hondenmens is, dat zich omgekocht voelt door dit cadeau van haar tekortschietende vader, en dat geen boodschap heeft aan een robothond. Omdat ze er niet in gelooft: ze gelooft niet dat een robot in staat is om, als ware hij een echt huisdier, een wederzijdse connectie aan te gaan.

Ik geloof daar zelf ook niet in.

Bewijzen is onmogelijk, maar ik geloof niet dat, buiten het domein van de fictie, een kunstmatige intelligentie leeft, laat staan bewust leeft. Lange tijd heb ik gedacht dat de complexiteit van taal ook de sleutel bood tot de heilige graal van het bewustzijn (misschien zelfs het kunstmatig bewustzijn). Dat denk ik niet langer.

De AI-systemen zoals die van MTurk waarvoor Ada op enig moment werkt, ontwikkelen een zekere creativiteit en gevoeligheid, en leveren indrukwekkende resultaten, maar die komen voort uit gedrag zonder subject: er is geen er, geen Dasein. Hoewel sommige van dit soort systemen Large Language Models heten, beschouw ik hun berekende uitkomst niet als taal, laat staan als bewustzijn. Eerder nog geloof ik in het bewustzijn van rivieren, mierenhopen en stenen, dan in het bewustzijn van een door mensen gemaakte machine.

Toch geloof ik in het bewustzijn van mijn arme, fictieve robothond. Mijn robothond en zijn (onze) condition humaine. Waarom creëer ik een robot met bewustzijn als ik niet geloof in robots met bewustzijn? Die vraag laat zich alleen achteraf beantwoorden: misschien om te tonen hoe groot het gemis moet zijn wanneer je, als robot, geen vader, moeder of andere ouder hebt, iemand die zegt (of zou kunnen zeggen): jij bent mijn kind. Zoals mijn vader dat deed, altijd, en zonder enige reserve.

Bohumil Fischer, Ada’s vader, mocht ik direct. Vanwege de tedere naamgeving aan zijn dochter: hij gaf haar een symmetrische naam die je kunt weergeven in notenschrift. Een vader die zijn dochter een naam geeft die hij kan zingen of fluiten, die hij als een geheim liedje tussen hen kan laten klinken, zo’n ouder houdt van zijn kind.

Toen mijn vader nog een baby was, en begon te brabbelen, draaide hij de lettergrepen van het kietelen om: ‘kielekielekiele’ werd ‘le-kie-le-kie-le-kie’ oftewel ‘Lucky’. ‘Kijk, hij spreekt al Engels’, zei zijn vader, en vanaf toen heette hij Lucky.

Lucky was een vader met gevoel voor taal en muziek. Terwijl mijn moeder zwanger was, deed mijn vader zijn best op mijn naam. Het moest Sarah worden, dat sowieso, en Maria moest erbij, maar er was nog een open plek voor de derde naam. Die moest passen in een patroon van klinkers, medeklinkers en klemtonen. Mijn vader trommelde en herhaalde het ritme, táda, tadáda tadám, Sarah Maria tadám, tot hem de juiste derde naam inviel.

Een grote frustratie van mijn Aigou is dat hij van zijn nieuwe baasje alsmaar geen naam krijgt. Vaag herinnert hij zich een eerder leven met een roepnaam die door de fabriek gewist is: die naam die ik bijna voor me zie, als een lichtbron die nagloeit. Hij verlangt naar zo’n persoonlijke naam. Zelfs een framenummer is persoonlijker dan een soortnaam, klaagt hij.

Dan is er de naam Saar, voor een fictief personage, maar wel met een naam die op de mijne lijkt. Terwijl ik schreef, groeide het personage steeds verder van me af, maar haar naam bleef kleven. Het label roman bevrijdt me van de realiteit, maar voor mijn vader maakte ik, heel onliterair, een uitzondering.

‘Het zou kunnen dat lezers denken dat Saar Sarah is, en dat jij dus die afwezige vader bent,’ vertelde ik mijn vader enkele maanden voor zijn overlijden. ‘Alleen jij hebt inspraak, papa. Zeg je: vervang die naam? Of zeg je: Nee, het is fictie, niets mee te maken!’

‘Niets mee te maken!’ antwoordde mijn vader. Een van zijn vele goede daden.

Ik zoek mijn vader in zijn woorden, waar jouw Ada haar vader zoekt in zijn stilte. Ze versterkt de 8½ seconden stilte die te horen zijn op de langspeelplaat waarop Bohumil pianospeelt, en waarop hij, tussen twee late sonates van Skrjabin in, misschien even ademt, of op zijn tand zuigt.

In die stilte probeert Ada iets van haar vader te vinden en vast te houden. Is fictie niet een poging tot vasthouden wat altijd beweegt, verandert en verdwijnt? (Als het bewaren van een stilstaand horloge dat ooit van vader is geweest.)

Voor mij is je roman een avontuur en tegelijkertijd een plek om in terug te keren: als in de stoel van een grootmoeder, als in het binnenste van een kerkorgel, als in de veiligheid van een vaderhand.

Hartelijke groet,
Sarah

Antwoord van Marek aan Helena, Silke en Sarah

Beste Sarah, Silke en Helena,

Toen ik gevraagd werd voor dit correspondentieproject voelde ik me aanvankelijk echt opgelaten. Ik schrok van het idee om jullie allen in één brief te antwoorden. Het zou ongepast zijn, vreesde ik. Maar toen besefte ik dat het eigenlijk een interessante kans bood voor een soort open correspondentiegesprek. En dat idee vind ik leuk, het is literair boeiend. Allereerst wil ik jullie heel erg bedanken voor de lastige taak die jullie op je hebben genomen om dit gesprek te beginnen. De persoonlijke toon van jullie brieven heeft me geraakt. Ik moet zeggen dat elke brief op zijn manier iets wezenlijks in mij heeft beroerd.
Net als Helena heb ik, oog in oog met de wereld, met de irrationaliteit ervan, met zijn psychopathische leiders die onzinnige deportaties op touw zetten, ontspoorde oorlogen voeren, vaak de behoefte om me op te rollen. Een eigenaardig fenomeen: als we ons beroerd voelen, als we echt troost nodig hebben, rollen we ons op. Het is ons laatste toevluchtsoord. Alsof het lichaam in zichzelf probeert te schuilen. Ik ben ronduit gefascineerd door die houding. De houding van het menselijke lichaam, van een dierenlichaam – en zelfs van planten! Ook bloemen kruipen na zonsondergang in elkaar. In slaap wikkelt de plant zich net zo ineen als de mens of een dier. Elk levend wezen dat het vermogen heeft om waar te nemen, dat toebedeeld is met gevoel, heeft van tijd tot tijd de behoefte om die houding aan te nemen. Er zit zoveel bijzondere tederheid in! Het is misschien wel onze sterkste herinnering, de herinnering van het lichaam, een paradoxale herinnering aan momenten ver voor enig geheugen, aan het leven voor het leven, toen ons lichaam nog in het lichaam van de moeder sliep, opgerold en volledig beschut.
Net als Silke worstel ik vaak met de machteloosheid – de wereld lijkt elke dag op ons neer te storten! Dat gebeurt elke ochtend op duizenden manieren zodra we het nieuws aanzetten. En vaak zie ik me als boven een afgrond voor de vraag gesteld: hoe kan ik er zelf iets aan doen, waar te beginnen? Hoe verantwoordelijkheid te nemen? Deze vragen drukten echt zwaar op me toen ik vader werd. Alsof ik voor het eerst plotseling verantwoordelijkheid voor de wereld moest nemen. Ook ik moet de wereld aan iemand doorgeven! Ik had veel tijd nodig om aan mezelf toe te geven dat het niet in mijn vermogen lag, en ook niet tot mijn mogelijkheden behoorde, om alles op te lossen. Dat ik genoegen moest nemen met het feit dat mijn invloed gering, zo niet verwaarloosbaar was. Maar ook dat geringe beetje kan wellicht iets betekenen. Bovendien, mensen die denken dat ze voor alle problemen van de wereld een oplossing hebben, belanden vaak in het gekkenhuis – of worden president van de Verenigde Staten van Amerika. Het komt op hetzelfde neer en uiteindelijk lossen die mensen toch niets op.
In de brief van Silke werd ik getroffen door een terloopse opmerking – namelijk de verwijzing naar Sinterklaas! We hebben dezelfde traditie. Maar in tegenstelling tot Silke associeer ik het niet met de geborgenheid van de kindertijd, maar juist met een gevoel van dreiging. Met het moment waarop de kille, vijandige wereld plotsklaps ons leven binnendringt. Bij ons wordt Sint Nicolaas namelijk vergezeld door de duivel! (Ook door een engel – maar die kan ik me helemaal niet herinneren.) Ik herinner me die duivel, de bode van de hel die de kinderen die in het afgelopen jaar stout zijn geweest in een grote zak meeneemt. Daarmee maakten ouders ten minste hun ongehoorzame kinderen soms bang. Sint Nicolaas kwam slechts één keer bij ons persoonlijk langs! Ik was een jaar of zes. Mijn broertje van vier plaste van angst in zijn broek, ik heb daarna nog een paar maanden gestotterd. En dan te bedenken dat Sint Nicolaas – gespeeld door onze lieve oom – enkel maar in de deuropening verscheen, van de duivel hebben we een glimp opgevangen ergens in het schemerdonker van de gang, ze kwamen niets eens binnen. Mijn broertje en ik kropen toen van angst in de linnenkast. We rolden ons daar op! We konden niet eens gillen, we hijgden alleen maar, klaar om een gevecht met de duivel aan te gaan als hij ons uit de linnenkast zou willen halen om in die zak van hem te stoppen. Hoe moesten we weten welke rekening voor ons in de hel werd opgemaakt? Uiteraard waren we in het afgelopen jaar soms stout geweest. En we wisten nu wel zeker dat we werden weggehaald bij mama, meegenomen de ijzige nacht in en vandaar linea recta naar de verzengende hel. Sindsdien is Sint Nicolaas nooit meer bij ons langs geweest. Met behulp van logopedie kwam ik na een tijdje van mijn gestotter af. Onze oom voelt zich nu nog schuldig over dat Sint-bezoek.
Volgens mij zijn toen mijn ogen geopend. Voor het eerst begreep ik ten volle dat buiten de wereld is. Een wereld waarin van alles kan gebeuren, die verbluffend machtiger is dan ik, die me op elk moment kan komen halen. Als ik nu aan die angstige avond van lang geleden terugdenk, zie ik daar natuurlijk raakpunten met het verhaal van ons gezin, met onze situatie. En ook met de brief van Sarah, die me diep ontroerde. Bedankt dat je in zo’n moeilijke situatie in je leven de kracht hebt gevonden om een brief te schrijven (en zelfs mijn roman Systemen van tederheid te lezen die helemaal gaat over een zoektocht naar een vader, over mensen die zijn vertrokken en trouwens ook over je oprollen – ik waardeer dat enorm).
Ook ik ben mijn vader kwijtgeraakt. In tegenstelling tot Sarah zit ik in feite mijn hele leven lang zonder hem. Hij overleed toen ik twee jaar oud was (mijn broertje was nog maar twee maanden oud). En ik denk dat die doodsangst, toen we tegen elkaar waren gekropen en wachtten tot de duivel ons meenam, juist met onze vader samenhangt. Met het feit dat hij uit ons leven was verdwenen. Alsof wij door iemand met geweld van hem waren weggerukt. En nu kwam diegene om ons ook van mama los te scheuren. Het was niet duivel, noch de hel, het was simpelweg de eenzaamheid. Een fatale eenzaamheid die, wat ik ook doe, voor altijd in mijn nek zal hijgen.
Het lijkt me belangrijk dat je, Sarah, tijd had om afscheid te nemen van Lucky. Ik voel me een beetje als jouw robothond Aigou die zich zijn vroegere naam niet kan herinneren. Net zo kan ik me mijn vader niet herinneren. Ik was nog te klein om die herinnering in me op te slaan. Alsof die ook ergens in de fabriek werd gewist. Toch voel ik dat daar wel ergens ten minste een afdruk moet zijn. Daar ergens zit die, zelfs na al die eindeloze jaren, verborgen in neuronen: ‘als een lichtbron die nagloeit’, zoals je het zo mooi in je brief zegt.
En het is haast ongelooflijk hoeveel gelijkenissen je tussen onze romans kunt vinden. Ook ik schreef Systemen van tederheid als een overpeinzing over hoeveel gevoel er soms in mechanismes, machines en systemen kan opduiken. Ik geloof evenmin dat AI echt zou kunnen denken of iets voelen, dat ze levend zou zijn. Ik vind het alleen ergens ongelooflijk aandoenlijk dat we AI met alle geweld op die manier willen zien. Alsof wij – wij, de gehele mensheid – ons alleen voelen. Alsof we met onze cultuur, taal, denken, met onze complexe wereld, vereenzaamd zijn in de natuur. Misschien verlangen we naar iemand die net zo eenzaam is. Naar iemand die gevangen zit in een systeem. Naar iemand die onnatuurlijk is.
En per slot van rekening; als een machine zou gaan leven, is dat dan echt zo’n angstaanjagend beeld? Misschien stellen we ons onnodig apocalyptisch er alleen de ergste variant van voor: verderf, destructie, iets uiterst vijandigs. Stel dat zo’n machine juist wijs zou zijn? Wijzer dan wij? Stel dat die niet wil vernietigen, veroveren, de wereld naar eigen inzichten veranderen? Misschien beseft de machine van meet af aan dat dit niet de juiste weg is. Als ze levend is, zal ze nadenken over haar omgeving, over het metaal en silicium in haar lijf dat immers ook onderdeel zal zijn van de natuur, ook erbij horen. Misschien trekt de machine daaruit wijzere conclusies dan wij. Misschien kan ze zich verwonderen over de wereld op een manier waartoe wij niet meer in staat zijn. Als een kind. Als een hond die voor het eerst sneeuw ziet. En misschien zal het juist de robothond zijn waarover Sarah in haar roman schrijft. En als die leeft, echt leeft, zal hij zich vast soms, als hij verdrietig is, als hij bang is voor de wereld, oprollen, in slaap vallen en zijn digitale dromen hebben van hoe het was toen hij nog maar een brok ijzererts was ergens in de tijdloosheid, diep verborgen in een ongerept rotsmassief.

Met vriendelijke groeten,
Marek Šindelka

Over de deelnemers

Marek Šindelka

Marek Šindelka (°1984) is schrijver van poëzie, romans, toneel en scenarios. Hij werd genomineerd voor, en won, meerdere awards. Hij ontving de Jiří Orten Prize voor zijn debuutdichtbundel Strychnin. Hij onving als enige auteur tweemaal de Magnesia Litera Prize voor proza, voor zijn boeken Zůstaňte s námi (Stay Tuned)) en Únava materiálu (Material Fatigue). Zijn werk werd in meer dan 15 talen vertaald.
Šindelka excelleert in zijn nauwkeurig taalgebruik en heeft een oog voor het leven vandaag, voor wat mensen beroert, en zeker voor de onderlinge relaties tussen mensen. Deze beschrijft hij op een opvallende, onthullende manier. Hij gaat in zijn werk geen actuele thema's uit de weg. Of het nu gaat om het klimaat, klimaatverandering of de vluchtelingencris, hij corporeert deze thema's naadloos in zijn werk, zonder opdringerig of activistisch te worden. Hij laat het verdict aan de lezer.

Helena Maes

Helena Maes (°2004) werd geboren en woont in Sint-Lodewijk, Deerlijk. Ze zweeft tussen de echte en haar eigen wereld en brengt deze twee in connectie via haar schrijven. Naast thee en schommelen, houdt ze van mythen en sprookjes uit verschillende culturen, die vaak in haar werk binnensluipen. Ze houdt van schrijven met vulpen en neemt bijna altijd haar schriftje ‘schrijfsels in het wilde (onder)weg’ mee om gedachten, banaliteiten en zelfgemaakte fabelwezens neer te schrijven. Deze zijn vaak de basis voor haar gedichten en kortverhalen.

Silke Van Rompaey

Silke Van Rompaey (°2004) schrijft vanalles en nog wat. Van teksten tot verhalen, met altijd een snuifje humor erbij. Haar spirit animal is Pippi Langkous en haar grootste schrijfidool Mark Tijsmans. Moest ze ooit, per ongeluk, premier van België worden dan... zou ze alle irritante vasthangende dopjes op flesjes verbieden. Ze danst vrolijk door het leven als ze haar teen niet ergens tegen heeft gestoten. Ze danst dan wel, maar eerder boos en vol onmacht. In 2022 werd ze, door een schrijfwedstrijd, gepubliceerd in de verhalenbundel Uitbreken van Phoenix Books. Ze eet met haar bestek omgewisseld in haar handen, maar is niet linkshandig. Al heeft ze wel twee linkerhanden, maar dat doet er niet toe. Silke kaart zowel nuttige als zeer onnuttige onderwerpen aan, maar telkens in het belang van het welzijn van de mensheid. Met andere woorden: ontspannen, informeren en lachen vormen een essentiële basis.

Sarah Van Vliet

Sarah Van Vliet is schrijver en taalkundige. Haar debuutroman AIGOU is in juni 2026 verschenen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Eerder zijn haar verhalen en essays gepubliceerd in Kluger Hans, Armada, De Optimist, Tirade en papieren helden. Het verhaal Prefrontaal, waarmee ze in 2024 de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd won, is gepubliceerd in NRC en papieren helden.

Na haar studie Engelse taal- en letterkunde promoveerde Sarah in de Taalwetenschap. Daarna heeft ze achtereenvolgens en wisselend als docent, onderzoeker, copywriter, vertaler, redacteur en schrijver gewerkt.