ILFU 2026
Van: Sarah van Vliet
Aan: Marek Šindelka
Amsterdam, 1 juli 2026
Beste Marek,
Je treft me op een verkeerd of misschien juist een gepast moment: mijn vader is 3 weken geleden overleden. Ik zoek hem op allerlei plekken. In spulletjes, rituelen, gebaren en systemen. In woorden.
Toen mijn vader net was overleden, wist ik niet of ik je boek zou kunnen lezen, laat staan je terugschrijven. Maar zodra ik las over Ada en haar vader, dacht ik: ja.
Dus laat me het over onze romans hebben.
Jouw roman Systemen van tederheid troost mij, omdat er zoveel leven is te vinden in het universum van Ada Fischerová en haar vader Bohumil Fischer: in het gevaarlijke pianospel van mevrouw Slámová, om maar wat te noemen, in de spektakels van Johann Nepomuk Mälzel, in het jagen achter de eerste noten van een fuga aan.
Je roman troost me omdat ook ik, net als jouw hoofdpersoon Ada, naar mijn vader zoek.
Mijn vader, Lucky, is degene aan wie Aigou is opgedragen, en daarmee legitimeer ik meteen zijn aanwezigheid in deze brief, die eigenlijk alleen over onze romans zou moeten gaan. Mijn schrijven aan jou kan nu niet anders dan een vorm van rouwen zijn.
De hoofdpersoon in mijn roman Aigou is een robothond die leeft, ademt, voelt en schrijft, maar die zich niet kenbaar kan maken. De Aigou zoekt geborgenheid bij een nieuw baasje, Saar, dat geen hondenmens is, dat zich omgekocht voelt door dit cadeau van haar tekortschietende vader, en dat geen boodschap heeft aan een robothond. Omdat ze er niet in gelooft: ze gelooft niet dat een robot in staat is om, als ware hij een echt huisdier, een wederzijdse connectie aan te gaan.
Ik geloof daar zelf ook niet in.
Bewijzen is onmogelijk, maar ik geloof niet dat, buiten het domein van de fictie, een kunstmatige intelligentie leeft, laat staan bewust leeft. Lange tijd heb ik gedacht dat de complexiteit van taal ook de sleutel bood tot de heilige graal van het bewustzijn (misschien zelfs het kunstmatig bewustzijn). Dat denk ik niet langer.
De AI-systemen zoals die van MTurk waarvoor Ada op enig moment werkt, ontwikkelen een zekere creativiteit en gevoeligheid, en leveren indrukwekkende resultaten, maar die komen voort uit gedrag zonder subject: er is geen er, geen Dasein. Hoewel sommige van dit soort systemen Large Language Models heten, beschouw ik hun berekende uitkomst niet als taal, laat staan als bewustzijn. Eerder nog geloof ik in het bewustzijn van rivieren, mierenhopen en stenen, dan in het bewustzijn van een door mensen gemaakte machine.
Toch geloof ik in het bewustzijn van mijn arme, fictieve robothond. Mijn robothond en zijn (onze) condition humaine. Waarom creëer ik een robot met bewustzijn als ik niet geloof in robots met bewustzijn? Die vraag laat zich alleen achteraf beantwoorden: misschien om te tonen hoe groot het gemis moet zijn wanneer je, als robot, geen vader, moeder of andere ouder hebt, iemand die zegt (of zou kunnen zeggen): jij bent mijn kind. Zoals mijn vader dat deed, altijd, en zonder enige reserve.
Bohumil Fischer, Ada’s vader, mocht ik direct. Vanwege de tedere naamgeving aan zijn dochter: hij gaf haar een symmetrische naam die je kunt weergeven in notenschrift. Een vader die zijn dochter een naam geeft die hij kan zingen of fluiten, die hij als een geheim liedje tussen hen kan laten klinken, zo’n ouder houdt van zijn kind.
Toen mijn vader nog een baby was, en begon te brabbelen, draaide hij de lettergrepen van het kietelen om: ‘kielekielekiele’ werd ‘le-kie-le-kie-le-kie’ oftewel ‘Lucky’. ‘Kijk, hij spreekt al Engels’, zei zijn vader, en vanaf toen heette hij Lucky.
Lucky was een vader met gevoel voor taal en muziek. Terwijl mijn moeder zwanger was, deed mijn vader zijn best op mijn naam. Het moest Sarah worden, dat sowieso, en Maria moest erbij, maar er was nog een open plek voor de derde naam. Die moest passen in een patroon van klinkers, medeklinkers en klemtonen. Mijn vader trommelde en herhaalde het ritme, táda, tadáda tadám, Sarah Maria tadám, tot hem de juiste derde naam inviel.
Een grote frustratie van mijn Aigou is dat hij van zijn nieuwe baasje alsmaar geen naam krijgt. Vaag herinnert hij zich een eerder leven met een roepnaam die door de fabriek gewist is: die naam die ik bijna voor me zie, als een lichtbron die nagloeit. Hij verlangt naar zo’n persoonlijke naam. Zelfs een framenummer is persoonlijker dan een soortnaam, klaagt hij.
Dan is er de naam Saar, voor een fictief personage, maar wel met een naam die op de mijne lijkt. Terwijl ik schreef, groeide het personage steeds verder van me af, maar haar naam bleef kleven. Het label roman bevrijdt me van de realiteit, maar voor mijn vader maakte ik, heel onliterair, een uitzondering.
‘Het zou kunnen dat lezers denken dat Saar Sarah is, en dat jij dus die afwezige vader bent,’ vertelde ik mijn vader enkele maanden voor zijn overlijden. ‘Alleen jij hebt inspraak, papa. Zeg je: vervang die naam? Of zeg je: Nee, het is fictie, niets mee te maken!’
‘Niets mee te maken!’ antwoordde mijn vader. Een van zijn vele goede daden.
Ik zoek mijn vader in zijn woorden, waar jouw Ada haar vader zoekt in zijn stilte. Ze versterkt de 8½ seconden stilte die te horen zijn op de langspeelplaat waarop Bohumil pianospeelt, en waarop hij, tussen twee late sonates van Skrjabin in, misschien even ademt, of op zijn tand zuigt.
In die stilte probeert Ada iets van haar vader te vinden en vast te houden. Is fictie niet een poging tot vasthouden wat altijd beweegt, verandert en verdwijnt? (Als het bewaren van een stilstaand horloge dat ooit van vader is geweest.)
Voor mij is je roman een avontuur en tegelijkertijd een plek om in terug te keren: als in de stoel van een grootmoeder, als in het binnenste van een kerkorgel, als in de veiligheid van een vaderhand.
Hartelijke groet,
Sarah